Sector
  • Vmbo
  • Vmbo bovenbouw
Vakgebied
  • Alle beroepsgerichte sectoren
Vakinhoud
  • Alle beroepsgerichte profielvakken
  • Beroepsgericht keuzevak

Beroepsgerichte vakken in het vmbo

20-12-2017

Op deze pagina's vindt u informatie over de beroepsgerichte programma's en de laatste ontwikkelingen in het vakgebied.

Ga direct ​naar:

  1. Wat is de rol van het beroepsonderwijs? Een historisch perspectief

  2. Hoe ziet het beroepsgerichte programma van het vmbo eruit?

  3. Wat zijn de spanningsvelden in het vmbo?

  4. Op welke wijze kunnen leerlingen doorstromen naar het mbo?

  5. Wat moet ik weten over de bevoegdheid van docenten in het vmbo?

1. Wat is de rol van het beroepsonderwijs in het vmbo? Een historisch perspectief

Eeuwenlang viel beroepsonderwijs samen met arbeid. De bekendste vorm hiervan is het gildewezen. Dit verdween in de loop van de 18e eeuw. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw kreeg in Nederland het beroepsonderwijs, toen nog vakonderwijs geheten, als afzonderlijke institutie gestalte. Er werden toen diverse scholen opgezet voor leerlingen die tot dat moment geen mogelijkheid hadden om door te leren. Voorbeelden hiervan zijn de ambachtsscholen waar werd opgeleid voor ambacht en nijverheid en de huishoudschool of kookschool, waarin vrouwen weren opgeleid voor een beroep als huishoudster of dienstbode, of voorbereid op een rol als huisvrouw.

In 1968 werden met de invoering van de Mammoetwet al deze onderwijsvormen ondergebracht in het lager beroepsonderwijs (lbo). Met deze wet werd het hele secundaire onderwijs in één stelsel ondergebracht. Vanuit het nieuwe ideaal van ‘gelijkheid van kansen’ voor kinderen uit verschillende sociale klassen werd getracht om de doorstroming tussen de verschillende onderwijstypen (lbo, mavo, havo, vwo, mbo) te bevorderen. Vanaf toen omvatte het lager beroepsonderwijs een scala aan opleidingen, zoals de lts (lagere technische school) en het lhno (lager huishoud- en nijverheidsonderwijs).

In de jaren zestig en zeventig ontstond er discussie over de rol van het beroepsonderwijs. Vanwege de veranderlijkheid van vakkennis en vanwege de hogere eisen die gesteld werden aan de algemene vorming van jonge mensen gingen er stemmen op om het beroepsonderwijs algemener te maken en te verbreden. In de loop van de jaren tachtig had de praktijk in het beroepsonderwijs zich dan ook dusdanig ontwikkeld dat het lbo in de meeste gevallen geen eindonderwijs meer was: steeds meer leerlingen gingen hierna een vervolgopleiding doen. In 1992 vond een naamswijziging plaats: vanaf toen heette het lager beroepsonderwijs het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). Vanaf dat moment was het ook formeel geen eindonderwijs meer, maar voorbereidend op een beroepsopleiding.

Met de invoering van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (1996) werden brede onderwijsinstellingen voor mbo opgericht waarin leerlingen instroomden vanuit zowel de mavo als het vbo. Om de overgang naar het mbo te verbeteren werd besloten tot de invoering van het vmbo. Voor verbetering van de aansluiting was het nodig om duidelijker te differentiëren naar niveau.

Met de invoering van het vmbo in 1999 kwam er voor het eerst centrale examinering voor de beroepsgerichte vakken. Sindsdien zijn de examenprogramma’s tweemaal vernieuwd. In 2007 zijn de eindtermen geglobaliseerd om scholen meer ruimte te bieden voor een eigen invulling. In 2016 heeft een vernieuwing plaatsgevonden die het mogelijk moet maken om beter aan te sluiten op het mbo, om in te kunnen spelen op actuele ontwikkelingen en om een duidelijkere plaats te geven aan LOB.

 

2. Hoe ziet het beroepsgerichte programma van het vmbo eruit?

In 2016/2017 zijn in het vmbo de sectoren, afdelingsprogramma’s, intrasectorale en intersectorale programma’s vervangen door tien profielen. Verschillende (oude) examenprogramma’s zijn inhoudelijk vernieuwd en gecombineerd tot de nieuwe profielen, waardoor het totale aantal examenprogramma’s is teruggebracht naar tien. Binnen de profielen is er differentiatie naar drie leerwegen. Elk profiel heeft een platform dat de (inhoudelijke) schakel tussen onderwijs en beroepsopleiding en beroep vormt. Voor docenten organiseren de platforms activiteiten, met als doel ontwikkelingen in de beroepspraktijk te vertalen naar onderwijs, zodat opleiding en beroep goed op elkaar aansluiten. Een overzicht van alle platforms vindt u hier.

De tien profielvakken zijn: 
  • bouwen, wonen en interieur (BWI);
  • dienstverlening & producten (D&P);        
  • economie en ondernemen (E&O);        
  • groen;                    
  • horeca, bakkerij en recreatie (HBR);    
  • maritiem & techniek (MaT).                
  • media, vormgeving en ICT (MVI);        
  • mobiliteit en transport (M&T);        
  • produceren, installeren en energie (PIE);    
  • zorg en welzijn (Z&W);            

Naast de tien profielvakken zijn er keuzevakken. Deze systematiek maakt het mogelijk aan te sluiten bij actuele ontwikkelingen. Welke keuzevakken worden aangeboden is aan de school. De school kan ervoor kiezen om maximaal twee profielmodulen van een ander profiel als keuzevak in te zetten. Bbl- en kbl-leerlingen kiezen een profielvak (set van vier modulen) en vier keuzevakken (vier modulen). Gl-leerlingen kiezen een profielvak en doen daarvan twee profielmodulen en twee keuzevakken (twee modulen).

Profiel Keuze Kern.jpgVariatie tussen scholen

De variatie tussen scholen is groot, ook ten aanzien van het aanbod van keuzevakken. Zo zijn er scholen die kiezen voor een aanbod van acht keuzevakken bij elk profiel, waarbij er dan vier gekozen mogen worden. Andere scholen bieden bijvoorbeeld twee ‘verplichte’ keuzevakken of twee zelf te kiezen keuzevakken aan. Ook zijn er scholen die arrangementen van keuzevakken aanbieden. Deze bestaan dan uit een vaste set van keuzevakken; leerlingen kiezen een arrangement met de meest verwante doorstroom naar het mbo zodat er doorlopende leerlijnen ontstaan. Op termijn zullen meer scholen meer keuzevakken aanbieden, al dan niet in samenwerking met het mbo.

Geen voorgeschreven lessentabel

In de bovenbouw krijgen leerlingen van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg ongeveer twaalf uur per week een beroepsgericht programma aangeboden. Voor de gemengde leerweg is dit ongeveer vier uur per week. Er is geen voorgeschreven lessentabel, waardoor verschillen tussen scholen mogelijk zijn en zelfs groot kunnen zijn. De urenaantallen voor beroepsgerichte vakken variëren van een minimum van 6 uur per week, tot een maximum van 18 uur per week. Daar komt verschillend gebruik van het begrip (les)uur nog bij: sommige scholen definiëren een lesuur als 40 minuten, andere bijvoorbeeld 60, 75 of 90 minuten.

Toetsing en examinering

Het programma wordt afgesloten met een centraal schriftelijk en praktisch examen (cspe) voor het profielvak, dat naast theoretische opgaven ook uit praktische opdrachten bestaat. Scholen kunnen ervoor kiezen om voor het profielvak ook een schoolexamen af te nemen (zie handreiking vmbo) De keuzevakken worden afgesloten met een schoolexamen. Leerlingen in de theoretische leerweg volgen in principe geen beroepsgericht vak. De school heeft wel de mogelijkheid om een beroepsgericht vak als extra vak aan te bieden. Zie ook de themapagina Formatieve evaluatie.

Loopbaanoriëntatie en -begeleiding geformaliseerd

Met de vernieuwde examenprogramma’s krijgt de oriëntatie op de vervolgopleiding extra aandacht en wordt de positie van loopbaanoriëntatie en -begeleiding geformaliseerd. Door het systeem van profielen en keuzevakken krijgen leerlingen de keuze tussen een brede oriëntatie en een gerichte voorbereiding op een specifieke beroepsopleiding, en alle mogelijke varianten daar tussenin.

 

3. Wat zijn de spanningsvelden in het vmbo?

De voorgeschiedenis van het vmbo laat een ontwikkeling zien van eindonderwijs gericht op arbeid tot een vorm van voortgezet onderwijs die voorbereidt op een vervolgopleiding. Hierin zijn twee spanningsvelden te zien, namelijk:

Breed oriënteren versus smal opleiden

De discussie over breed of smal opleiden werd vijftig jaar geleden al gevoerd en deze is nog steeds gaande. De wetgeving voor het vmbo beoogt dat leerlingen de mogelijkheid behouden om zich nog in veel verschillende richtingen te kunnen ontwikkelen. Daarom heeft het vmbo een algemeen karakter met nadruk op beroepsoriëntatie en niet op beroepsvoorbereiding. De keuze voor een beroepsgericht profiel is daarom ook niet bindend: het mbo stelt namelijk geen inhoudelijke instroomeisen. Tegelijkertijd zijn er onderwijsinstellingen die hun opleidingen doelbewust smal vormgeven, omdat dit inspeelt op behoeften van leerlingen, ouders en wensen van het werkveld. Wilt u op de hoogte zijn van de laatste actuele ontwikkelingen? Zie de Trendanalyse beroepsgerichte vakken.

Scheiding van cognitieve en praktische vaardigheden

In de 19e en eerste helft van de 20e eeuw weerspiegelde de scheiding tussen theorie en praktijk de arbeidsverdeling en de klassenverhoudingen. De hiërarchische scheiding tussen denkers en doeners was terug te zien in de verschillende onderwijstypen. Het onderscheid tussen hoofd en handen wordt nog altijd gebruikt, bijvoorbeeld in clichématige typeringen van vmbo-leerlingen als ‘praktisch ingesteld’. In de praktijk blijken mensen verschillende motorische, rationele en emotionele vermogens met elkaar te combineren en te verbinden, ongeacht hun intelligentie of opleidingsniveau.

 

4. Op welke wijze kunnen leerlingen doorstromen naar het mbo?

Er zijn drie soorten doorstroom: (zie bijvoorbeeld de examenhandreiking van BWI):

  • meest verwante doorstroom (vanuit verwant profielvak met profielverdiepende keuzevakken);
  • verwante doorstroom (vanuit verwant profielvak of vanuit verwante keuzevakken);
  • niet verwante doorstroom (vanuit niet verwant profielvak en zonder verwante keuzevakken).

De doorstroomvariant meest verwante doorstroom leidt tot een inhoudelijke voorsprong op het mbo. De verwante doorstroom kan worden versterkt wanneer de  keuzevakken in het vmbo goed aansluiten op het mbo-programma. Vmbo en mbo kunnen bijvoorbeeld afspraken maken over ‘arrangementen’ van keuzevakken die een goede voorbereiding op het mbo opleveren.

Vmbo-leerlingen kunnen ook kiezen voor een brede oriëntatie en minder verwant doorstromen. Immers, vmbo-leerlingen zijn wettelijk gezien met alle profielen (ongeacht het profielvak) toelaatbaar tot alle mbo-opleidingen, zolang de leerling een diploma op het juiste niveau heeft. Wettelijk gezien mag iedereen instromen, ongeacht het profielvak, zolang de leerling maar de eventuele profielverplichte avo-vakken heeft gevolgd en het juiste niveau heeft behaald. De keuze voor een opleiding kan op het mbo ook nog langer uitgesteld worden. Wanneer studenten nog niet precies weten voor welke kwalificatie zij in het mbo willen worden opgeleid, bestaat de mogelijkheid om in een domein te worden ingeschreven. Zij kunnen dan alvast beginnen met het volgen van vakken uit de gemeenschappelijke onderdelen van verwante beroepsopleidingen en later een definitieve keuze maken. 

 

​MBO

In de kwalificatiedossiers van het mbo wordt omschreven wat de beginnende beroepsbeoefenaar moet kennen en kunnen.

Het totaal van alle mbo-opleidingen is geordend in zestien domeinen van opleidingen die gericht zijn op, of van belang zijn voor, eenzelfde bedrijfstak of groep van bedrijfstakken.

 

Naar verwachting zal er in de nabije toekomst in het vmbo meer variatie in voorkennis van doorstromende leerlingen zijn, omdat de combinaties van profielvak en keuzevakken meer of minder verwantschap met de mbo-opleiding kunnen hebben. Daar komt bij dat er in het vmbo ook veel ruimte is voor talentontwikkeling. Dit stelt het mbo voor de uitdaging om voor alle instromende leerlingen goed passende onderwijsprogramma’s samen te stellen.

Vmbo- en mbo-instellingen gaan om die reden op regionaal niveau steeds meer samenwerken. Samen kunnen ze afspraken maken over hoe om te gaan met de mogelijk toegenomen diversiteit in aanwezige voorkennis bij en (beroeps)vaardigheden van leerlingen. De MBO Raad geeft daarvan verschillende voorbeelden.

Zie ook het thema doorstroom vmbo-mbo.

 

5. Wat moet ik weten over de bevoegdheid v​an docenten in het vmbo?

In 2017 is mede naar aanleiding van de nieuwe examenprogramma’s in het vmbo door het ministerie bekeken welke kennis en vaardigheden docenten voor de beroepsgerichte vakken moeten hebben en op welke wijze aanpassing nodig is. Het systeem van bevoegdheden was op dat moment niet helemaal dekkend voor alle beroepsgerichte vakken. De Regeling conversietabel getuigschriften en vakken VO is inmiddels bijgesteld. Hierin zijn de bevoegdheden voor vakken waarvoor een lerarenopleiding bestaat, gekoppeld aan de profielvakken. Deze regeling is van toepassing op leraren die al een tweedegraadsbevoegdheid hebben.

  • Voor een deel van de leraren wordt de tweedegraadsbevoegdheid rechtstreeks omgezet naar een bevoegdheid voor een nieuw profiel.
  • Andere docenten moeten eerst na- of bijscholing volgen om bevoegd te zijn voor een profiel. Hiervoor is een nascholingsaanbod beschikbaar gesteld.
  • Daarnaast wordt gewerkt aan een mogelijkheid tot erkenning van bekwaamheid voor vakken waarvoor geen lerarenopleiding bestaat en aan een mogelijkheid tot ontheffing van de bekwaamheidseisen in bijzondere gevallen, waarbij ook sprake is van een buitengewone bekwaamheid.

Voor leraren in de beroepsgerichte vakken met een vast contract geldt een overgangsperiode tot 1 augustus 2021.

Verschil bevoegdheden tussen de profielvakken

Wat opvalt aan de conversietabel is dat er aanzienlijke verschillen zijn in de mate waarin specifieke vakdeskundigheid van de docent beroepsgerichte vakken gevraagd wordt. Een docent is bijvoorbeeld bevoegd om het profielvak economie en ondernemen te verzorgen, wanneer hij of zij in het bezit is van een getuigschrift algemene economie of bedrijfseconomie. De bijbehorende profielmodules omvatten echter commercieel, administratie, secretarieel en logistiek. Dit is veel breder en praktijkgerichter dan algemene economie of bedrijfseconomie. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het profiel maritiem en techniek, waar in verband met de veiligheid, naast de bevoegdheid voor het profielvak maritiem en techniek, per module aanvullende eisen gesteld worden ten aanzien van te behalen minors én werkervaring. Bij het profielvak produceren, installeren en energie is het weer anders geregeld. Hier moeten de bevoegdheden in het team dekkend zijn voor de afzonderlijke modules.
Er is geen eenduidig antwoord op de vraag wat de belangrijkste competenties van een docent beroepsgerichte vakken zouden zijn. Bij het ene profiel gaat het om specifieke vakinhoudelijke kennis en bij een ander profiel juist om het goed kunnen begeleiden van leerlingen in hun loopbaanontwikkeling. En om een goede loopbaanbegeleider te kunnen zijn, kan het gaan om vooral inhoudelijke kennis over alle terreinen die aan bod komen (zoals bij produceren, installeren en energie), of om werkervaring (zoals bij maritiem en techniek vereist is).

Zij-instromers

Een bijkomend aandachtspunt is dat scholen graag zij-instromers in de beroepsgerichte vakken aanstellen vanwege de goede beheersing van vakvaardigheden. Deze zij-instromers krijgen vaak te maken met een langdurig traject om een onderwijsbevoegdheid te behalen, met name wanneer het instromers betreft met een mbo-diploma. Hoewel hogescholen op individuele basis vrijstellingen mogen geven, moet er vaak nog een volledige lerarenopleiding gevolgd worden, soms zelfs inclusief vakvaardigheden die de zij-instromers al ruimschoots beheersen.

Expertdocent Beroepsonderwijs

Een positieve ontwikkeling ten aanzien van de deskundigheid van docenten in de beroepsgerichte vakken is de oprichting van de eerste hbo-master Expertdocent Beroepsonderwijs. Dit is een gezamenlijk initiatief van Windesheim en Hogeschool Utrecht (HU) om de kwaliteit van het beroepsonderwijs te versterken. Het is de eerste educatieve master in Nederland die zich specifiek richt op docenten van beroepsgerichte vakken in het (v)mbo en hbo. Vanuit een maatschappelijke, onderwijskundige, beroepsmatige en vakinhoudelijke invalshoek leert de docent beroepsonderwijs in de eigen onderwijssituatie vormgeven, uitvoeren en beoordelen. Het leveren van maatwerk aan heterogene groepen én aan de beroepspraktijk is hierbij een belangrijk aandachtsgebied.